A-Z Terminologie

  • Acute Myeloïde Leukemie: snel progressieve vorm van leukemie die specifiek de myeloïde lijn van de witte bloedcellen aantast, waardoor onrijpe voorstadia van deze cellen woekeren in het beenmerg en meestal ook in het bloed.
  • Aderlating / venasectie of flebotomie: een medische ingreep waarbij een hoeveelheid bloed uit iemands lichaam wordt afgenomen om bepaalde aandoeningen van het bloed en de bloedvormende organen te kunnen behandelen. Het bloed wordt op dezelfde manier afgenomen als bij bloeddonoren. De hoeveelheid bloed die wordt afgenomen, hangt af van de leeftijd van de patiënt, van zijn algemene gezondheidstoestand en van de ernst van de ziekte.
  • Beenmerg: het beenmerg is de sponsachtige, rode substantie die zich bevindt in het binnenste van beenderen, vooral in het bekken, het borstbeen, de ribben en de ruggenwervels. Bij kinderen is de bloedproductie nog verspreid over de meeste beenderen.
  • Beenmergonderzoek: bij een beenmergonderzoek worden twee soorten materiaal afgenomen, een beenmergaspiraat en een botbiopt. Deze beenmergcellen worden weggenomen voor een microscopisch onderzoek. Dit gebeurt door met een dikke holle naald de beenmergholte aan te prikken. Meestal gebeurt dit in het bekken boven de linker of rechter bil.
  • Bloedarmoede: een medische aandoening waarbij de telling van de rode bloedcellen en het hemoglobine lager zijn dan normaal.
  • Bloedklonter (of trombus of trombose): bloed dat verandert van een vloeibare naar een vaste toestand, ook een trombus genoemd. Een bloedklonter kan vastzitten, meestal in een ader in de kuit, het dijbeen of het bekken.
  • Bloedplaatjes (trombocyten): dit zijn kleine, kleverige cellen die circuleren door het bloed. Hun functie is om bloedingen te stoppen of te voorkomen bij het beschadigen van een bloedvat. Als het bloeden begint, zullen de bloedplaatjes samenkleven tot een bloedklonter die de wonde afsluit en het bloeden stopt.
  • Bloedtransfusie: een overdracht van bloed of onderdelen van het bloed van donor (gever) naar recipiënt (ontvanger). Deze techniek kan levens redden bij zware bloedingen of indien je lichaam zelf niet meer genoeg bloedcellen kan aanmaken.
  • Calreticulin: een gen dat gemuteerd (veranderd) is bij ongeveer 30% van patiënten met ET of MF, soms naar verwezen als mutatie type 1 of type 2.
  • Chemotherapie: een behandeling tegen kanker, door middel van chemische stoffen, die de groei van cellen stopt.
  • Chronisch: een chronische aandoening is een langdurige aandoening. MPN’s worden als chronische aandoeningen aanzien, ook veel van de symptomen zijn chronisch.
  • Erytrocyten: zie rode bloedcellen.
  • Erytrocytose: een toename van het aantal rode bloedcellen in het lichaam
  • Erytropoëtine: een hormoon dat door de nieren wordt geproduceerd en dat de vorming van rode bloedcellen in het beenmerg stimuleert.
  • Granulocyten: witte bloedcellen die infecties bestrijden. Als MPN patiënten een verhoogd aantal witte bloedcellen hebben dan kan een behandeling met Hydroxycarbamide deze verhoging doen afnemen.
  • Hematocriet (HCT): de meting van de viscositeit of de stroperigheid van het bloed veroorzaakt door een teveel aan rode bloedcellen.
  • Hematoloog: een arts die gespecialiseerd is in hematologie.
  • Hematologie: een medische specialisatie in afwijkingen van het bloed, de bloedvormende organen en de lymfeklieren. Behoort tot de interne geneeskunde.
  • Hemoglobine: het zuurstofdragende pigment dat zich bevindt in de rode bloedcellen. Hemoglobine vervoert zuurstof en koolstofdioxide en bevat ijzer. Mensen met teveel hemoglobine zijn polycythemisch. Mensen met te weinig hemoglobine zijn anemisch.
  • Heparine: een medicijn dat gebruikt wordt bij het voorkomen of het behandelen van bloedstolsels. Soms wordt dit voorgeschreven bij zwangerschap.
  • Hepatomegalie: een medische benaming voor een abnormaal vergrote lever.
  • Imatinib (Glivec) : medicatie speciaal ontworpen om Chronische Myeloïde Leukemie te behandelen. Deze medicatie zit nu in een klinische studie om Meylofibrose (MF) te behandelen.
  • Infarct: het afsterven van weefsel door zuurstofgebrek door een ontoereikende bloedvoorziening.
  • Infuus met zoutoplossing: een infuus dat de hoeveelheid extracellulaire vloeistof moet aanvullen, vb. na een aderlating om het vloeistofpeil van het lichaam te herstellen. Dit infuus bestaat uit fysiologisch zout.
  • JAK2: een molecule aan de binnenzijde van onze cellen die de cel stimuleert om te groeien. Veel MPN-patiënten hebben de mutatie of verandering in JAK2.
  • JAK2 V617F: onderzoekers vonden in 2005 de mutatie (gekend als JAK2 V617F) in de JAK2 molecule van patiënten met een MPN. Deze mutatie beïnvloedt de signalisatie capaciteiten van de JAK2 molecule.
  • Leukocyten: witte bloedcellen of granulocyten.
  • Milt: een orgaan dat linksboven in de buikholte ligt kortbij de maag. De milt produceert lymfocyten (een type van witte bloedcellen), filtert bloed, dient als bloedreservoir en verwijdert oude rode bloedcellen. De milt kan in bepaalde situaties (zoals bij MPN’s) een aanvullende rol spelen in de aanmaak van rode bloedcellen. Dit kan soms leiden tot een vergrootte milt (splenomegalie). Een operatie om de milt te verwijderen noemt met een splenectomie.
  • MPL: dit eiwit is de ontvanger of standplaats voor het hormoon dat de aanmaak van bloedplaatjes stimuleert. Het MPL-gen kan gemuteerd zijn bij patiënten met ET of MF. Dit werd ontdekt in 2006.
  • Neutropenie: een aandoening waarbij het aantal neutrofielen (type van witte bloedcellen) in de bloedbaan verlaagd is.
  • Plasma: het lichtgele of grijsgele vloeibare gedeelte van het bloed waarin de bloedcellen en bloedplaatjes reizen door ons lichaam. Het plasma is dus het vloeibare gedeelte van ons bloed zonder de bloedcellen.
  • Pruritus: een ander woord voor jeuk. Pruritus kan voorkomen als een reactie van het lichaam op bepaalde medicatie, door allergie, nier- of leverziekten, kanker, parasieten, droge huid, contactreactie van de huid, … en nog andere oorzaken, gekend of ongekend.
  • Rode bloedcellen (erytrocyten): schijfvormige cellen die holrond zijn aan beide zijden. Ze bevatten hemoglobine en vervoeren op deze wijze zuurstof en koolstofdioxide door ons lichaam. Rode bloedcellen kunnen tot 120 dagen overleven in ons bloed.
  • Stamcellen: dit zijn lichaamscellen die onbeperkt kunnen delen en zorgen voor de aanmaak van gespecialiseerde cellen.
  • Trombocyten: zie bloedplaatjes.
  • Trombocythemie: een abnormaal hoog aantal bloedplaatjes in het bloed.
  • Trombocytose: een hoog aantal bloedplaatjes in het bloed.
  • Trombose (of trombus of bloedklonter): bloed dat verandert van een vloeibare naar een vaste toestand, ook een trombus genoemd. Een bloedklonter kan vastzitten, meestal in een ader in de kuit, het dijbeen of het bekken.
  • Witte bloedcellen (leukocyten): er zijn vijf soorten witte bloedcellen, nl. lymfocyten, monocyten, neutrofielen, eosinofielen en basofielen. Deze cellen beschermen ons lichaam tegen infecties. Er zijn veel minder witte bloedcellen dan rode bloedcellen in ons lichaam.